Ruwe olie wordt nooit in die vorm verbruikt: ze moet worden geraffineerd. De waarde hangt dus af van de kwaliteit, vooral gemeten aan de hand van twee eenvoudige criteria. Eerst de dichtheid (of API-gravity): hoe "lichter" een olie is, hoe makkelijker ze kan worden omgezet in bruikbare brandstoffen zoals benzine of diesel. Vervolgens het zwavelgehalte: olie met weinig zwavel is minder vervuilend en goedkoper te verwerken. Logisch gevolg: lichte, zwavelarme oliën zijn doorgaans duurder dan zware, sterk zwavelhoudende oliën.

Brent, WTI: dezelfde kwaliteit, andere toepassingen

WTI (West Texas Intermediate) en Brent zijn allebei lichte, zwavelarme oliën, dus van goede kwaliteit. Het grote verschil zit niet in de samenstelling, maar in de locatie en logistiek. WTI wordt in de Verenigde Staten geproduceerd en opgeslagen in Cushing, Oklahoma, een binnenlands knooppunt dat weinig praktisch is voor export. Het bedient vooral de Amerikaanse markt. Brent daarentegen komt uit de Noordzee en wordt geladen in gemakkelijk bereikbare zeehavens, wat het tot de ideale referentie maakt voor de wereldhandel. Daarom dient Brent als prijsbasis voor ongeveer twee derde van de olie die wereldwijd wordt verhandeld.

Maar de markt beperkt zich niet tot dit westerse duo. Er bestaan honderden andere variëteiten, waaronder Dubai Light, dat als referentie dient voor de Aziatische markt. Deze mand van ruwe oliën uit de Perzische Golf illustreert de andere kant van de markt: die van zwaardere en zwavelrijkere oliën. In tegenstelling tot WTI en Brent zijn deze stroperige en corrosieve ruwe oliën duur om te raffineren en eindigen ze vaak als bitumen of zware stookolie, terwijl lichte ruwe oliën makkelijk benzine opleveren. Deze kwaliteitsrangorde verklaart waarom lichte oliën in normale tijden met een premie worden verhandeld ten opzichte van zware ruwe oliën.

Waarom is Brent vaak duurder dan WTI?

In theorie zou WTI soms duurder moeten zijn dan Brent, omdat het net iets lichter is. Maar in de praktijk is het vaak omgekeerd. De belangrijkste reden heeft te maken met het lokale spel van vraag en aanbod. Vanaf 2011 deed de schalie-olierevolutie (shale oil) de Amerikaanse productie exploderen, waardoor een overschot ontstond dat ter plaatse moeilijk kon worden afgezet. De voorraden zwollen aan, wat neerwaartse druk zette op de WTI-prijs. Sinds de Verenigde Staten hun olie weer massaal uitvoeren en de infrastructuur is verbeterd, is het verschil tussen Brent en WTI kleiner geworden. Maar het blijft gevoelig voor geopolitieke schokken: elke internationale spanning treft Brent, als wereldwijde referentie, sterker dan WTI, dat meer op de Amerikaanse markt is gericht.